[Naar de uiteenzetting van prof. Frédéric de Blay (Pneumologie, allergologie et pathologie respiratoire de l’environnement, Hôpitaux Universitaires de Strasbourg), tijdens de 14e Journée du Cercle de Pneumo-Allergologie de Langue Française (CPALF), oktober 2014] De literatuurgegevens over het vermijden van allergenen zijn vrij heterogeen. Er is een verschil naargelang het gaat om primaire, secundaire of tertiaire preventie. Het blijkt belangrijk te zijn binnenhuisadviseurs bij de patiënten thuis te sturen. Fenotypering van het astma en een betere beschrijving van het type woning zullen het beleid in de toekomst hopelijk verbeteren. Published ahead of print.
Bart Lambrecht interesseerde zich meer bepaald voor de rol van dendritische cellen. Dankzij zijn onderzoek begrijpen we beter welke rol deze cellen spelen bij het herkennen van allergenen. Het toonde ook aan dat de dendritische cellen betrokken zijn bij de persistentie van astma (als ze verdwijnen uit de luchtwegen, lijken de ontsteking en de symptomen te beteren), maar sommige ervan kunnen de allergische reactie afremmen...
De ontdekking van een cannabisallergie werd voorgesteld door prof. Didier Ebo (UZ Antwerpen) op een bijeenkomst van de Abeforcal (Association Belge de Formation Continue en Allergologie) en was aanvankelijk eerder een toevalstreffer. Patiënten zijn immers weinig geneigd om over hun verslaving te praten, waardoor allergieën aan drugs en verboden verdovende middelen zelden vermeld worden in de literatuur. Ze bestaan echter wel.
[Kliniek voor Immuno-Allergologie, CHU Brugmann, ULB, Brussel] In onze streken zijn stekende insecten (niet-hymenoptera) meestal verantwoordelijk voor lokale, goedaardige aandoeningen (zowel onmiddellijke als uitgestelde), waarvan de duur en de ernst sterk verschillen van individu tot individu. Het betreft meestal bedwantsen, vlooien, steekmuggen, kriebelmugjes en dazen. In zeldzamere gevallen kunnen sommige van die insecten – zoals steekmuggen en wantsen – bij een steek (of beet) veralgemeende anafylactische reacties uitlokken (1). In dat geval is het moeilijker om de aandoening te herkennen.
[* Dienst Pneumologie en Allergiecentrum, Clin univ. St.-Luc, UCL, Bruxelles - 12e journée du Cercle de Pneumo-Allergologie de la Langue Française, 29 september 2012] Het begrip ‘astma’ is sterk geassocieerd met ‘atopische’ overgevoeligheid voor antigenen uit de omgeving. Die overgevoeligheid wordt gemedieerd door IgE-antistoffen, waarvan de aanmaak wordt gestimuleerd door Th2-lymfocyten, die ook de rekrutering van eosinofielen en basofielen/mastocyten stimuleren. Maar er bestaat ook een niet-atopische (intrinsieke) vorm van astma, waarvan de fysiopathologie nog steeds grotendeels onbekend is. Bij intrinsiek astma wordt een lokale productie van specifieke IgE-antistoffen aangetroffen. Dat doet de vraag rijzen naar de rol van atopie in de genese van astma en de ontwikkeling van exacerbaties.
BHL Vol. 30 Nr. 1
Schrijf u gratis in op onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws en nog veel meer ...